Rock am Ring… wanneer trop te veel is.

Uitgescholden werd ik, voor racist, doemdenker, nazi… u kan het zo gek niet bedenken. Nummertje 1 en 3 ben ik zeer zeker niet, over nummertje 2 zijn de meningen ietwat verdeeld. Het moet al meer dan 10 jaar geleden zijn dat ik (profetisch?) zei: “We gaan ooit onze festivals nog moeten stilleggen voor die religieuze zotten!”.  Vandaag werd het waarheid. Ondertussen lacht ook niemand nog met mijn “burgerooglogsvoorspellingen”, niemand. En dat terwijl ik mezelf al haast licht psychotisch begon te voelen…. (not!).

Het is me wat he, omwille van hun ingebeeld vriendje proberen ze ons het leven zuur te maken. Erger nog, ze willen ons dood: Parijs, Zaventem, Stockholm, Manchester…

Het is nog geen 5 jaar geleden dat ik als “racist” werd weggezet omdat ik, toch ietwat beslagen zijnde in de materie, voorspelde: “Die gasten willen graag onze kop afkappen.”. Dit is niet het blog van het grote gelijk, maar ik heb tot hiertoe geen excuusbriefjes ontvangen.

Vandaag wordt Rock am Ring geëvacueerd omdat men bang is van de islam.  Ik ga het niet anders verwoorden. Daar komt het op neer. Daar bang van zijn is terecht, het is een doodscultus, onverenigbaar met onze waarden en normen. En ze zijn zot he, ze willen niet dat wij naar liekes luisteren.

Er bestaat geen westerse islam, geen gematigde, geen watjes-islam…  En zeg niet dat ik het niet gezegd heb. De vrouw is een vod in de islam, alhoewel misschien zijn vodden daar nog beter af dan vrouwen. Ge moogt ze op uw kop zetten! (Sorry, kon het niet laten.)

Blijkbaar was de ingebeelde allah geen grote fan van muziek en van lauw bier in plastieken bekertjes. En mocht er iets gebeuren dan zien we morgen onze linkerflinkers opduiken “Niks te maken met islam.” “Lonely wolf.” “Verward individu.”, ….

En als ge dat nog allemaal gelooft, dan moogt ge van mij gerust een vod over uw kop trekken. Het zal uw laatste zijn.

Ik kom uit een links nest, echt links, niet de islam-appeasers van nu. Echt links, dat waren mannen en vrouwen die – toen nog – vochten tegen de juk van het kruis. Ik ben niet links meer, links heeft mij rechts gemaakt, met hun knieval voor de islam. Waarvoor dank.

Toenmailig links overwon het kruis, huidig links zal de islam niet gaan overwinnen, oh heilig kiesvee! Dus als ik niet links ben, dan ben ik maar rechts. Or whatever. God noch gebod. Ni dieu, ni maitre, jamais.

We kunnen nergens meer gaan, uit angst voor hun ingebeelde god, die ons alles verbiedt wat wij liefhebben. Hoe lang nog? Of gaat u capituleren? Toch maar, voor de lieve vrede…

 

 

Heilstaat

Ik doe zo wel eens wat voor de kost, voor het brood op de plank. Nogal veel eigenlijk, te veel om nog vrije tijd over te houden eigenlijk.

Beroepsmatig keer ik mensen binnenstebuiten, tja, iemand moet het doen.

Daarstraks keerde ik een ex-Syriër binnenstebuiten, professioneel, zoals het hoort. Naast het feit dat hij geweldig goed het plaatselijke dialect kon “klappen” zit zo’n man natuurlijk met een oorlogstrauma. Ik jubel dan al een beetje omdat die man in no time onze taal geleerd heeft. In zijn geval, spreken als de beste, lezen en schrijven gaat nog moeizaam.

Die man kon zich, hoewel hij maar tot zijn 12e naar een soort van school (Koranschool, niks geleerd, enkel lijfstraffen gekregen) dood ergeren aan onze naïviteit ten opzichte van zijn voormalig onderdrukkers.  “Jullie zijn onnozel!” hij was formeel. Het familiebedrijf dat de man in het thuisland had moest sluiten. Het begon al veel eerder terug, veel vroeger dan dat wij ons konden indenken dat er daar in Syrië wat stront aan de knikker was. Het begon er eigenlijk mee dat zijn moeder, de vakdame van dienst, niet langer mocht werken omdat dit niet “islamitisch” was.  Blijkbaar was la mama haar creativiteit een aanfluiting van het sprookjesfiguur allah (Ja, ik weiger die verzonnen onnozelaar zijn naam nog altijd met een hoofdletter te schrijven!). Dat zij daarmee een half dorp van brood, vlees en water voorzag was ook al niet geheel islamitisch blijkbaar. Resultaat: het ging van kwaad naar erger en quasi de ganse familie werd uitgemoord (wegens het uitvoeren van niet islamitische-activiteiten) en mijn gesprekspartner belandde na een aanval in een ziekenhuis in Damascus met behoorlijk wat schade. En na heel wat omzwervingen uiteindelijk op mijn kabinet.

Ik deed mijn onderzoek, bij deze zwaar beschadigde, doch intelligente man. Zeer zwaar en intensief voor hem, voor mij dagelijkse kost.  We sloten af met een “zjat kaffe” en een praatje.

De man bleek bevriend met iemand die ook in mijn kenissenkring ronddoolt.  Een afvallige moslim, een advocaat. Ik ken zijn verhaal, hij kent het beter dan ik, als de tijd rijp is zal hij dat zelf wel doen.

Maar mijn ongeschoolde, doch intelligente, niet-gelovige  cliënt kon met de beste wil van de wereld niet begrijpen dat hier in België.  Een stukje vrij Europa toch? Dat wij zijn onderdrukkers, de islamisten facliteerden. Hij zag ze zitten op onze grote markt, naast de terrassen, niet deelnemend aan het leven, maar op zichzelf blijvend.  Hij hoorde hen hun eigen talen spreken, terwijl hij net zo’n moeite deed om de onze te spreken. Hij ergerde zich mateloos aan de vele hoofddoeken.

“En ze eisen vanalles”, zei hij “en als je één keer toegeeft staan ze meteen klaar om het volgende te eisen!”. “Ze hebben mijn land, mijn familie, alles wat ik ken kapotgemaakt!”. En jullie gaan ze “begrijpen”?  “Sorry dat begrijp ik niet!” “Het zijn zelfs geen beesten”, zei hij, “want ik ben een dierenvriend.” .

Ik heb hem aanhoord. Louter professioneel blijven. Als mens zeer goed begrijpen waar hij het over heeft. Met de wrange nasmaak van zijn laatste woorden. Hij heeft 2 jonge dochtertjes. “Ik zal niet toestaan dat mijn dochters met de islam te maken krijgen, nooit!”

Toen ik vanavond mijn monster van een hond uitliet zag ik ze inderdaad zitten.  Ver weg van ons, nooit bij ons. Samengepropt op de openbare banken (de vrouwen) en nooit op een caféterras terwijl hun mannelijke adepten alle ruimte opeisen die er op te eisen valt, luidkeels, met veel bravoure. Ze zouden er ook nog al misstaan in hun alles verhullende gewaden, die vrouwen, terwijl wij onszelf met blote schouders koelte toewuiven met de kaart van het etablissement. Hun “haantjes”, de mannen,  zouden wij als geëmancipeerde vrouwen niet dulden op minder dan een armlengte, toch?

“Ge moet u afvragen wat die aan hun kinderen zeggen!” zei mijn cliënt daarstraks. Dat deed ik. Ik zag het somber in.

Ik roep al jaren in de woestijn dat we niet mogen toegeven aan de volgende religieuze waan die de islam is. En met mij doen velen dat, alleen we worden politiek zwaar genegeerd. Mijn cliënt hield me voor dat we hier in Europa aan een “omvolking” bezig zijn, na wat ik zag moet ik hem gelijk geven.

“Kent ge dat? Een roofdier?” Awel! Dat zijn ze!”. Ik ga zijn uitspraak niet licht vergeten. Ik had hem graag tegenover een eerdere cliënt gezet die “vrouwen geen hand mocht geven van zijn geloof”.  Ik zal u verzekerst niet uit de doeken moeten doen dat ik dan geen onderzoek kan uitvoeren, dan mag de cliënt in kwestie naar huis gaan, zulke mensen verdienen zelfs niet dat ik er mijn energie in steek.

Ik wacht alleen bang af op de richtlijnen van “Brussel”: Ook als de cliënt weigert u te begroeten omwille van geloofsredenen zult ge het onderzoek uitvoeren.  Ik zie het plausibel dat die richtlijn ons zo plots op de kop zal vallen….

Ik denk dat ik dan feestelijk bedank. Daar betalen ze mij nu ook weer niet genoeg voor.

 

Gedichtje voor mijn man… en het monster.

Wat hoor ik daar?

De hond slaat aan.

Ik zie een bruine, spitse snoet.

“Roeltje, naar boven! Naar boven! Naar boven! BOVEN !”

voor de hond je pakt.

 

Hond wordt vastgegrabbeld.

Geneutraliseerd.

Geen hond van ons,

die onze steenmarter “Roeltje”, zal opvreten,

of dodelijk verwonden,

of je weet niet wat…

 

Wij houden van de hond (iel veul!).

en van Roeltje (de steenmarter).

Maar niet van de bruine rat,

die wij even dachten, dat ons Roeltje was.

 

“Opgelost!” het requisitoor van mijn man.

Rat is terug het dak in.

Levend en wel.

Een snack voor onze Roeltje…

of voor onze hond?

 

Een kort leven beschoren,

zo wacht de rat zijn lot.

De steenmarter of de hond?

Het is geen eerlijke strijd.

 

Het zijn monsters,

onze roofdieren.

Maar we zien ze zo graag.

 

Maar voor de allerliefste liefde…

Ben ik gerust.

Mijn man is geen moordenaar.

Geen rat, geen vlieg, geen mug!

 

Long time, no write

Ja dat klopt wel een beetje. Samenloop van omstandigheden, geen tijd als voornaamste excuus. En dat terwijl we nog steeds zitten te wachten op het verslag van de architect-deskundige over ons huis. Dat die architect-deskundige die de door de rechtbank opgelegde termijn met voeten heeft getreden waardoor wij minstens nog een onleefbare winter langer in dit bouwkundig staaltje van oplichterij zullen zitten. Het is een andere discussie. Eentje van veel frustratie en onmacht, maar kom, de zon schijnt, de zomer is (gelukkig) in aantocht.

We gaan het dus niet over het huis hebben. Niet!!!

Geen tijd, dat wel. Ik vind dat een geldig excuus. Want als het mij nu aan één ding ontbreekt, dan is het wel aan tijd. 24u in een dag, als je ook nog een beetje een slaapje wil doen in de nachtelijke uren, is dat dus soms niet genoeg.

Geen tijd, door veeleisende jobs, zowel aan mijn als aan zijn kant van de bedstee. Komt daarbij dat mijnheer echtgenootmans momenteel studerende is. Als in “blokkend like hell”. En dat ik dat toejuich. Studeren dat komt hier op gelijk de buikgriep, af en toe, gelukkig niet jaarlijks en tot hiertoe loopt het steeds ook goed af.  Dan ik weer, dan hij weer. Zo gaat dat, bij de eeuwig lerende mens.

En zo komt het dat ik een op een zonnige zaterdag, mijn mentorschap heel serieus nemende, proefexamens zat te maken voor mijnheer echtgenootmans. In wetenschappen waar ik lang geleden wel eens aan geroken heb. Nu ja, ferm gesnuffeld. En dat ik daar niet mee kon stoppen, nog een extra proefexamen maakte, alles zelf eens moest uittesten. Zelf gelukkig wel hoog scoorde (“Ik mag het hopen, als ge de vragen zelf hebt gemaakt!” hoor ik mijn vader in de verte bulderen…). Mijn vader was een sucker van een “overhoorder”, die zowat eiste dat je ook de inhoudstabel van de cursus met paginanummers erbij kon opdreunen. Ik heb mijnheer echtgenootmans beloofd iets milder te zijn, iets in mij zegt dat ik veel te hard op mijn vader gelijk…  Sorry Sjoeke.

En dat ik toen dat klaar was dacht: Eigenlijk wil ik toch nog wel heel graag één specialisatie halen. Dat dacht ik bijna 20 jaar geleden ook. Toen ik moest kiezen tussen optie A en optie B, zo’n 4 jaar voor het definitieve “afzwaaien” van mijn alma mater. Mijn vader zijn portefeuille stond op dat moment maar 1 optie toe. (Hij heeft ooit een keertje gedacht dat ik op mijn 23e afgestudeerd was, hij was toen bezopen, we lachen er nog steeds om.) Optie A. Tja, da’s mijn job, ook al wreed lang dus. Optie B, een blijvende interesse. Natuurlijk ben ik meteen gaan opzoeken wat dat mij/ons zou gaan kosten. Aan welke universiteit dan?  Idealiter Lissabon, maar helaas pindakaas, dat valt zo snel niet te regelen. Een andere dan maar? Onbetaalbaar. De prijs van kennis is niet gedaald blijkbaar. Ik besef nu dat mijn vader 4 jaar lang een half maandloon heeft opgehoest voor mijn “foliekes”. Nog eens extra, ik was toen al 2 x afgestudeerd op kosten van de Bomma. En hoe betaal je dat in ’s hemelsnaam allemaal als je daarvoor een paar jaar onbetaald verlof zult moeten nemen? Niet dus! Het maakte wel dat ik besefte wat die mensen mij gegeven hebben. Veel, heel veel. Waarvoor dank.

Maar om een lang verhaal kort te maken. Ik zal mij dus de komende maanden/jaren (?) schikken in de rol van toegewijde echtgenote van de werkstudent. En gewoonweg voor de sport zou ik mijn man zijn examens mee willen gaan doen op de grote dag, maar ik heb helaas al andere (werk)verplichtingen. Anders zou ik het verzekerst nog doen ook. Ik ben nu op dreef he.

Huisvrouw van het jaar zal ik niet worden. Maar ik weet wat een studentenhart begeert. Een lekker aperitief met bijpassend hapje om de zonnige zaterdag af te sluiten en een overheerlijke huisgemaakte Thaïse curry die al een halve dag staat te “trekken”.

En dat ik niet zo egoïstisch moet zijn, dat ik hem graag zie en het dus allemaal met veel liefde doe. Dat ik zijn grootste supporter ben. Dat hij gaat slagen met vlag en wimpel.

Dat ik de komende weken de strengste en meest veeleisende mentor, overhoorder en corrector zal zijn. Dat ook ja. Papa, ik lijk steeds meer op jou 🙂

(Zeer bewust gruwelijk liedje van Stef Bos niet als link geplaatst! Zonder dank.)

 

 

Mort de fatigue

Oftewel doodmoe, maar dan zoals de Fransen dat zo schoon kunnen zeggen.

Brak, uitgeteld, kapot…  Dat ben ik. Vrijdagavond na een doodgewone werkweek. Ik ben niet alleen, wij zijn moe. Wij, dat zijn ook mijn collega’s. We vroegen ons daarstraks nog af hoe mensen die werken er nog hobby’s en zo op kunnen nahouden op pakweg een weekavond?  Wij kunnen dat dus gezamenlijk niet. En in het weekend dan? Meestal ook niet, dan moeten we inhalen waar we zo doorheen de week niet aan zijn toegekomen.

En dat we toch wel werken om te leven, niet? Blijkbaar niet dus. We werken, werken en werken. Veel leven is er daarna niet meer, buiten uitgeteld neerzijgen dan. OK, we hebben een zware job. De enkelingen die het geluk hebben niet fulltime te werken doen nog wel zo eens iets ’s avonds, een cursusje fotografie, een looprondje over een Finse piste.  Wij dus niet, de fulltimers.

En dat het aan de winter ligt, die veel te lang duurt, dat ook. Te weinig zonlicht, gebrek aan vitamine D.  “En gebrek aan goesting!” repliceerde mijn collega die net een etentje voor vanavond had afgezegd. Te moe.

“En dat het allemaal niet beter op zal worden, met al die besparingen.” deed een schaarse mannelijke fulltimer zijn duit in het zakje. Nu werken de meeste mannen bij ons wel fulltime, maar ze waren gewoonweg uithuizig vandaag. De meeste vrouwen bij ons werken ook fulltime. Enkele gelukkige administratieve krachten buiten beschouwing gelaten.

Misschien zijn we gezamenlijk aan vakantie toe?  De ene is aan ’t plannen, de andere heeft al gepland, ik ben van plan te plannen maar ik durf nog niet… iets met wachten tot trage rechtbankdeskundigen eindelijk een paar A4-tjes klaarhebben en zo.

Tja daar word je ook moe van, van wachten. En enerverend is het ook.  Een weekendje er tussenuit?  Toch maar eens overwegen. En na de zomer langer dan een weekend. Nooit in het hoogseizoen. Geen koters op mijn stuk strand!

“En dat we met zijn allen beter eens een ferme pint zouden gaan drinken.”, was een idee. Van de zeldzame man. “Dan moeten we wachten tot de strandbar opengaat.” sprak een andere collega, “Alle andere dingen zijn hier veel te marginaal.” Daar werd instemmend op geknikt.

“Wij zijn veel te hautain.” sprak de jongste van de bende. “Wij zijn te moe om hautain te zijn.” sprak de oudste.

Zuchtend en puffend werden dossiers opgeborgen, laptops dichtgeklapt en de lichten uitgedaan. We reden de grijze koude straat op, allemaal naar huis, waar we verder moe kunnen zijn.

“Ik doe vanavond geen klote meer!” riep een collega nog door haar open autoraam.

“Exactly my idea!” riep ik terug, van op mijn stalen ros.

Iemand zwaaide naar mij, ik zwaaide niet terug. Toch nog niet moe genoeg om niet hautain te zijn.

Temperatuurobsessie

Ik heb dat, momenteel, een temperatuurobsessie.  Ik kijk met angst naar alle weerberichten, want na een paar zachte dagen (fijn voor de hond, ik moest helaas werken) komt er terug een koudefront aan.

Nu hield ik al niet echt van de winter, ik moet niet hebben van sneeuw en ijs, maar dit jaar is het helemaal erg. Waarom?  Omdat het in ons huis net zo koud is als buiten.  De voorbije koudeperiode zaten we ’s avonds huilend van de kou op onze reeds 2 x overstroomde bank. Huilend van de vriespijn die hier in dit krot mijn scheenbenen lelijk te pakken had. Koken met bevroren voeten.  Maar ja, de rechter vond dat wij hier best wel een wintertje in Huisje Zonder Dak konden doorbrengen, zo hoogdringend was dat allemaal niet. Ondertussen lagen wij als stijfbevroren fishsticks bij het vallen van de avond in ons bed, onder 3 donsdekens, met al onze kleren aan, een kersenpitkussentje aan onze voeten.  Wat kan een mens anders doen?  Doodvriezen op de bank is ook niet alles he?  Wereldvreemde rechters zei Theo Francken, of Bart de wever – dat ben ik kwijt – er is iets van!

“Maar allez, daar is toch een paar maanden terug een architect-deskundige van de rechtbank naar komen kijken?” Dat denkt u nu he?  Ja, dat is zo, wij wachten nog altijd op zijn verslag (ik denk dat hij het artisanaal, met kroontjespen en Gotische kapitalen aan het neerpennen is, op perkament of zo, het is een lang verslag…).  En ondertussen bevriezen wij, vandaag niet, want vandaag vriest het niet. Maar tegen het einde van de week zo weer wel.

Toen bleek dat ook de verwarming die de oplichters ons samen met dit huis verkocht hadden eigenlijk gemolesteerd was konden wij enkel maar in noodverwarming voorzien. Dat is een aftandse gaskachel. Normaal volstaat die voor de benedenruimte, maar dat impliceert natuurlijk wel dat er ietwat dak op de benedenverdieping zou liggen. Dat is niet het geval, ik weiger de restanten van 3 doorgezakte daken nog langer als “dak” te bestempelen.

“Huur dan efkes iets anders.” hoor ik van kapitaalkrachtigere vrienden.  Wij durven dat niet, wij zijn bang dat wij al onze moeizaam bijeen gespaarde centjes gaan nodig hebben voor rechtbank- en advocatenkosten. En ik wil naast opgelicht ook nog niet eens met een enorme schuldenberg uit deze regelrechte hel komen.

Anderhalf jaar geleden hebben wij de oplichters gedagvaard. U hoort/leest mij goed: ANDERHALF JAAR! We zijn nog geen stap verder.  Dat dit hier onleefbaar is, dat is blijkbaar ons probleem.  Slachtoffers zijn nu eenmaal niet prioritair hier. De daders zitten ondertussen lekker warm in hun volgende huizenproject, klaar om de volgende op te lichten.

Misschien dat de edelachtbare donderdagavond (dan gaat het weer vriezen) eens op bezoek kan komen?

Begin april word “de zitting verdergezet”.  In mijn hoofd repeteer ik hoe ik de edelachtbare toch even diets ga maken dat het leven in onmenselijke omstandigheden, want dat is het, zonder ook maar een sikkepit te overdrijven, toch iets zou moeten zijn dat door de rechterlijke macht tot een minimum beperkt zou moeten worden. Of beter nog: ten allen prijze zou vermeden moeten worden.  Maar ja, wie zijn wij?  Wij zijn maar slachtoffer van gewiekste oplichters die niet aan hun proefstuk toe zijn. Zo dringend is dat allemaal niet.

Begin april…. het lijkt lichtjaren ver.

 

 

 

The way the cookie crumbles

“Oreo’s! Er zitten Oreo’s in ’t machien!!!” dat was vanochtend vroeg het belangrijkste wapenfeit op mijn werkplek.  Voor die kleine zwarte koekjes wordt menig dieetplan aan de kant geschoven. Ook het mijne, al heb ik geen dieetplan buiten: “Niet te veel koeken eten op ’t werk.”

Klein geld werd bij elkaar gebedeld en gedeeld om iedereen zijn portie te geven.  Nu zitten er geen Oreo’s meer in ’t machien, want wij waren eerst. Nem!

Geen slecht ontbijt, al zeg ik het zelf. Qua smaak dan toch.

Bevroren voeten, ijspollen, aangevroren druipneuzen… alle lasten werden lusten met een Oreo erbij. De collega die rabarbertaart had gebakken was eraan voor de moeite. Ik sta nog steeds versteld dat sommige mensen dat echt eten.  Rabarber da’s niet lekker, da’s onkruid, da’s zelfs geen groente/fruit…  Da’s vis noch vlees en vooral: NIET EETBAAR (tenzij ge een konijn bent).

De collega gaf toe dat de rabarbertaart eigenlijk bij niemand in de smaak viel en legde zich neer bij het Oreolot. Zoals wij allen deden.

Nu zitten wij dus met een Oreotekort. ’t Machien wordt immers pas volgende week weer gevuld.

Ik hoop dat er niemand op het idee komt om worteltaart te bakken…

Maar het kan alleen maar toeval zijn dat een collega, aan wie de gehele Oreo-gekte voorbij was gegaan omdat zijn kabinet op een andere verdieping zit (een verdieping zonder machien, woehahahahahaaaaa) zei:  “That’s the way the cookie crumbles.” he Pips.

Denkend dat hij het over mijn karakter had, en mijn hierdoor vormgegeven beslissingen waarbij ik zijn uitstekende professionele adviezen doorgaans fluks in de wind sla. Maar nu bedenk ik dat ik best nog wel eens écht vol Oreokruimels heb gehangen… Tja.

Ach, het maakt niet uit. Ik heb tenminste geen rabarbertaart gegeten. Speekmadolje!